Zo kies je een opzet die past bij je breiwerk
Je eerste steken bepalen hoe de onderrand van je breiwerk eruitziet en meegeeft. Met de juiste opzetmethode en een gelijkmatige spanning voorkom je dat die rand te strak wordt.
Begin je aan een trui, muts of proeflapje, dan kom je meteen voor een keuze te staan: hoe zet je de steken op? De ene methode maakt een stevige rand, de andere geeft meer rek of is handig als je later verder wilt breien vanaf de beginrand. Volg eerst het patroon als daarin een methode staat. Ontbreekt die aanwijzing, kijk dan naar de gewenste rek, het steekpatroon en hoe eenvoudig je de methode vindt. Als je nog oefent met de basis, helpt deze uitleg over beginnen met breien om ook naalden en garen op elkaar af te stemmen.
Waar let je op bij het kiezen van een opzetmethode?
Een opzet vormt de eerste rij lussen op je naald. De rand moet passen bij het gebruik: een boord van een muts of sok moet kunnen uitrekken, terwijl een rand aan een tas of plaid juist vormvast mag zijn. Let daarom op drie dingen:
- Rek: moet de rand over een hiel, hand of hoofd kunnen?
- Steekpatroon: begin je met tricotsteek, ribbelsteek of boordsteek?
- Vervolg: brei je direct verder, of wil je later steken opnemen of de rand openen?
Een patroon schrijft soms een specifieke opzet voor, bijvoorbeeld om een elastische of buisvormige rand te krijgen. Verschillende technieken leveren daadwerkelijk verschillende soorten randen op, zoals ook de uitleg over opzetten van Brooklyn Tweed laat zien.
Welke opzet past bij jouw project?
De lange-draad-opzet is een veelzijdige keuze voor veel projecten. Je gebruikt zowel het draadeinde als de draad van de bol. De methode vormt een nette, enigszins elastische rand en is geschikt voor onder meer tricotsteek en boordsteek. Je moet vooraf wel genoeg draad reserveren.
Bij de gebreide opzet maak je telkens een nieuwe steek door een lus te breien en die op de naald te zetten. Dit is een toegankelijke methode om te leren en handig als je tijdens het werk steken moet toevoegen. De rand kan minder soepel aanvoelen dan je voor een rekbare boord wilt; brei de lussen daarom niet strak aan.
De kabelopzet maak je ook met een gebreide lus, maar je haalt de volgende lus tussen de steken door. Dat geeft een duidelijke, stevige rand. Voor een sterk rekbare boord zijn er gespecialiseerde varianten. De The Knitting Guild Association behandelt bijvoorbeeld zowel de lange-draad-opzet als buisvormige opzetten voor ribbelboorden in haar lessen over opzet- en afkanttechnieken.
Als richtlijn: kies de lange-draad-opzet als veelzijdige basis, een gebreide opzet om eenvoudig nieuwe steken te maken, en een speciale elastische opzet wanneer het patroon daarom vraagt of de rand flink moet meerekken.
Hoe zet je steken op met de lange draad?
- Schat de lengte van het draadeinde. Wikkel de draad losjes om de naald, ongeveer één keer per steek, en houd extra lengte achter de hand. De benodigde hoeveelheid verschilt met je garen, naalden en spanning.
- Maak een beginlus en houd de draad van de bol en het draadeinde uit elkaar. In deze methode gebruik je beide draden om de steken te vormen.
- Vorm een lus met je duim en wijsvinger. Houd de naald in je andere hand en haal die onder de draad bij je duim door, vervolgens over de draad bij je wijsvinger.
- Trek de draad door de duimlus. Haal je duim uit de lus en trek de draad rustig aan tot de steek op de naald zit.
- Herhaal dit tot je het voorgeschreven aantal steken hebt. Houd de lussen los genoeg om ze makkelijk over de naald te bewegen.
De aanwijzingen en afbeeldingen van Brooklyn Tweed gebruiken ook het wikkelen van de draad om de naald als manier om de benodigde lengte te schatten. Zie dat als een beginpunt, niet als een vaste maat: voeg extra draad toe zodat je niet halverwege zonder komt te zitten.
Hoe houd je de beginrand los en gelijkmatig?
De rand wordt vaak strak doordat je na elke lus hard aan de draad trekt. Trek alleen zover aan dat de steek netjes op de naald blijft; de lussen moeten nog kunnen schuiven. Let erop dat je niet steeds strakker gaat werken naarmate je meer steken opzet.
Een praktische controle is de opzetnaald: elke steek moet er zonder trekken overheen kunnen bewegen. Als je weet dat je van nature strak opzet, kun je de steken op een iets grotere naald maken en daarna met de naald uit het patroon verdergaan. Bij een lange-draad-opzet kan het ook helpen om twee naalden samen vast te houden tijdens het opzetten; de extra ruimte maakt de lussen groter. De uitleg van KnittingHelp noemt die aanpak voor situaties waarin het patroon vraagt om los opzetten.
Hoe controleer je de opzet voordat je verder breit?
Tel de steken voordat je aan de eerste toer of naald begint. Leg de rand vlak neer en controleer of de lussen ongeveer even groot zijn en nergens strak samengetrokken worden. Bij rondbreien controleer je bovendien vóór het sluiten van de toer of de opzet niet om de kabel is gedraaid.
Brei daarna een paar naalden en kijk hoe de rand zich gedraagt. Trekt hij samen, dan is de spanning waarschijnlijk te strak; oogt hij golvend of ongelijk, dan zijn sommige lussen mogelijk veel ruimer dan andere. Haal de steken zo nodig uit en probeer opnieuw met rustigere, gelijkmatigere spanning. Zo merk je vóór je veel verder bent of de gekozen methode en rand bij je project passen.
Veelgestelde vragen
Hoeveel draad laat je over bij de lange-draad-opzet?
De benodigde lengte hangt af van het aantal steken, de naalddikte, het garen en hoe strak je opzet. Maak daarom eerst een schatting door de draad losjes om de naald te wikkelen voor elke benodigde steek en laat daarna extra draad over. Bij een proeflapje kun je de gebruikte lengte nameten; dat geeft je een bruikbaarder uitgangspunt voor een groter werkstuk met hetzelfde garen en dezelfde naalden.
Moet je bij een patroon altijd de genoemde opzetmethode gebruiken?
Gebruik de genoemde methode als die in het patroon staat, vooral wanneer de rand een specifieke rek, vorm of afwerking moet krijgen. Een andere opzet kan de rand anders laten vallen of minder goed aansluiten op boordsteek. Staat er geen methode vermeld, kies dan op basis van de gewenste stevigheid en rek, en maak eventueel een klein proeflapje om te zien hoe de rand zich gedraagt.
Waarom worden de eerste steken soms moeilijk om te breien?
Vaak staan de lussen te strak op de naald of is de spanning tijdens het opzetten niet gelijkmatig. Je kunt de steken iets ruimer vormen en na elke steek de draad rustig aantrekken, zonder de lus samen te knijpen. Als de rand steeds strak blijft, probeer dan een grotere naald voor het opzetten of oefen met een andere methode. Controleer wel of de steken daarna makkelijk over de naald kunnen glijden.