Van boord tot teen je eerste sokken breien
Een sok breien lijkt ingewikkelder dan een sjaal: je werkt in het rond en vormt onderweg een hiel en een teen. Met een eenvoudig patroon en materiaal dat daarbij past, kun je die onderdelen stap voor stap aanpakken.
Kies voor je eerste paar een patroon dat duidelijk aangeeft welke maat, naalddikte en stekenverhouding je nodig hebt. Dan hoef je niet tegelijk een sokvorm uit te rekenen én een nieuwe breitechniek te leren. Hieronder lees je waar je op let bij sokkengaren en naalden, hoe de hiel en teen in de opbouw passen en hoe je controleert of je sok goed aansluit.
Welk garen en welke naalden zijn geschikt?
Kies sokkengaren dat bedoeld is voor sokken en controleer op het etiket welke naalddikte en stekenverhouding erbij staan. Hiel, zool en teen krijgen tijdens het dragen veel wrijving; een verkooppagina van Wolplein noemt slijtvastheid daarom als aandachtspunt bij sokkengaren. Dat is productinformatie van een winkel, geen garantie dat sokken nooit slijten. (wolplein.nl)
Een sok kun je in het rond breien met een set sokkennaalden of met een rondbreinaald volgens de magic-loopmethode. Welke optie prettig werkt, is persoonlijk. Volg bij je eerste paar vooral de methode van het gekozen patroon, zodat de verdeling van steken en de instructies voor de hiel kloppen. Voor algemene uitleg over materiaal, naalden en basissteken kun je eerst beginnen met breien.
Welke sokopbouw past bij een eerste project?
Een veelgebruikte sokopbouw begint bij de boord en loopt via de schacht naar de hiel, de voet en de teen. Een hielklep, hielbocht en spie zijn vormen die het breiwerk rond de hiel en wreef laten aansluiten. Het patroon vertelt wanneer je steken tijdelijk apart zet, steken opneemt of mindert. Een overzicht van deze onderdelen staat ook in de uitleg van KnitTools over de opbouw van een sokpatroon.
Je kunt sokken ook vanaf de teen naar de boord breien. Voor een eerste paar is het doorgaans overzichtelijker om één patroonrichting te kiezen en die aan te houden, in plaats van technieken uit verschillende patronen te combineren. Let bij het patroon op de voetmaat waarvoor het is geschreven en op de gebruikte garendikte.
Hoe begin je zonder te verdwalen in het patroon?
Lees het patroon eerst helemaal door en leg garen, naalden, stekenmarkeerders en een meetlint klaar. Zet daarna de steken op zoals beschreven en controleer vóór je verder breit of je werk niet gedraaid is. Brei de boord en schacht volgens de aangegeven lengte; verander de aantallen niet op basis van een voorbeeld voor een andere maat.
Maak ook een stekenproef met hetzelfde garen en dezelfde naalden als voor de sok. Katia legt uit dat je daarvoor bij voorkeur in het rond breit, omdat je spanning in rondbreiwerk kan verschillen van die bij plat breien. Tel de steken en toeren in een afgemeten vlak en vergelijk die met het patroon. Wijkt je proef af, pas dan de naalddikte aan en brei opnieuw een proef. (katia.com)
Hoe brei je de hiel en teen volgens je patroon?
De hiel is vaak het deel waar een beginner voor het eerst steken anders behandelt dan in de rechte schacht. Bij een hielklep brei je een deel van de steken heen en weer; daarna vorm je de hielbocht en neem je steken langs de klep op. De spie ontstaat door minderingen die de voetvorm verder laten aansluiten. Werk de aanwijzingen regel voor regel af en houd bij welke toer je breit.
Vervolgens brei je de voet in het rond tot de lengte die het patroon aangeeft. De teen ontstaat meestal door minderingen op vaste plekken. Als het patroon vermeldt dat je de teen sluit met de Kitchener-steek, gaat het om een naad die de steken met naald en draad met elkaar verbindt. Gebruik geen algemene aantallen van een ander patroon: maat, garendikte en stekenverhouding bepalen samen hoeveel steken en toeren nodig zijn.
Hoe controleer je de pasvorm van je sok?
Vergelijk de lengte van de voet met de maatinstructies van je patroon voordat je de teen sluit. Pas het werk indien mogelijk voorzichtig over je voet of vergelijk het met een goed passende sok. Let erop of de hiel op zijn plek valt en of de boord en wreef niet oncomfortabel strak trekken. Controleer ook of beide sokken ongeveer dezelfde lengte en breedte hebben.
Maak daarna de tweede sok met dezelfde naalden, garenkeuze en patrooninstellingen. Een klein verschil in spanning kan al zichtbaar worden; meet daarom beide sokken op dezelfde manier. Zo kun je je eerste paar beoordelen op aansluiting en gelijkmatigheid, en weet je bij een volgend paar welke aanpassing eventueel nodig is.
Veelgestelde vragen
Moet ik eerst een proeflapje breien voor sokken?
Ja, vooral als je wilt weten of jouw stekenverhouding overeenkomt met die van het patroon. Brei het proeflapje met hetzelfde garen, dezelfde naalden en dezelfde steek als de sok. Omdat je de sok in het rond breit, kan een proeflapje in het rond een bruikbaarder beeld geven dan een plat lapje.
Kan ik een sokkenpatroon op een andere soort naalden breien?
Vaak kan dat, zolang je de steken op dezelfde manier in het rond kunt breien en de naalddikte overeenkomt met je stekenverhouding. Een patroon voor sokkennaalden is soms ook te maken met een lange rondbreinaald volgens de magic-loopmethode. Controleer vooraf of het patroon die methode beschrijft of ermee uit de voeten kan.
Wat doe ik als mijn eerste sok te los of te strak zit?
Vergelijk eerst de stekenverhouding van je werk met die van het patroon en controleer of je de juiste maat hebt gekozen. Een sok die over de wreef niet goed aansluit, kan ook wijzen op een verschil in voetmaat of op een hielvorm die niet bij jouw voet past. Pas bij een volgende poging één factor tegelijk aan, zodat je ziet wat het verschil maakt.