Naar de inhoud

Laatst gepubliceerd op · 15 artikelen · 3 rubrieken

Atelier la Vivière

Van twee basissteken naar herkenbare breipatronen

Met alleen rechte en averechte steken kun je al verschillende herkenbare patronen maken. Zie je door de namen het verschil niet meer, dan helpt het om te kijken naar de voorkant, de achterkant en de manier waarop je de steken afwisselt.

Door Marloes Visser · · 3 min leestijd

Vier gebreide proeflapjes in paarstinten: ribbel, tricot, geribd en structuursteek op tafel

Een breipatroon noemt vaak meerdere steken, terwijl je in het werk alleen lusjes en ribbels ziet. Begin daarom met een klein proeflapje: daarop merk je hoe dezelfde steek er aan de andere kant uitziet en hoe een andere volgorde het oppervlak verandert. Hieronder lees je hoe je de basispatronen uit elkaar houdt, welke je plat of in het rond breit en hoe je controleert of je proeflapje klopt.

Welke twee steken vormen de basis?

De rechte steek en de averechte steek zijn de bouwstenen van veel breipatronen. Bij recht breien werk je de draad achter het werk; bij averecht breien houd je de draad voor het werk. Op de stof verschijnt een rechte steek als een klein V-tje aan de ene kant en als een bobbeltje aan de andere kant. De averechtse steek toont die kanten omgekeerd. De uitleg van Wolplein over de basissteken laat ook zien hoe je de steken afzonderlijk uitvoert.

Als je de basis van het breien nog oefent, kun je eerst je naalden, garen en handhouding klaarzetten met de eerste breistappen. Daarna wordt het makkelijker om een patroon te lezen en te zien welke lus je moet maken.

Hoe verschillen ribbelsteek en tricotsteek?

Bij plat breien ontstaat ribbelsteek wanneer je alle naalden recht breit. De stof heeft aan beide kanten horizontale richels. Volgens de uitleg van Bergère de France over breistechnieken maak je tricotsteek door een naald recht en de volgende averecht te breien, en die twee naalden te herhalen. De ene kant oogt glad met V-vormige steken; de andere kant heeft meer bobbeltjes.

Breien in het rond werkt anders dan plat breien: je keert het werk niet na elke toer om. Voor een gladde tricotsteek brei je daarom in het rond doorgaans alle toeren recht. Volg bij afwijkende patronen de gegeven instructies.

Wanneer kies je voor boord- of structuursteken?

Bij boordsteek wissel je rechte en averechte steken af, bijvoorbeeld één recht en één averecht. Brei de rechte steken boven de rechte en de averechte boven de averechte, zodat verticale ribben ontstaan. Een boordsteek is daarmee niet hetzelfde als ribbelsteek, waarbij je bij plat werk alle steken recht breit.

Voor een structuursteek verandert het patroon van rij tot rij. Bij gerstekorrel brei je bijvoorbeeld een rechte en een averechte steek afwisselend; in de volgende naald brei je recht boven averecht en averecht boven recht. Zo liggen de bobbeltjes verspreid in plaats van in kolommen. Controleer bij een patroon steeds of de herhaling over één naald of over meerdere naalden loopt.

Hoe oefen je een patroon stap voor stap?

  1. Zet een oefenlapje op met genoeg steken om de herhaling te zien, plus eventuele kantsteken uit je patroon.
  2. Brei enkele naalden ribbelsteek om een eenvoudige rand te maken.
  3. Kies één patroon, bijvoorbeeld tricotsteek of boordsteek, en noteer de volgorde van de naalden.
  4. Herhaal die volgorde zonder tussendoor het aantal steken te veranderen.
  5. Beëindig het lapje volgens de afkantinstructie die je oefent.

Een proeflapje maakt fouten gemakkelijker te vinden dan een groot project: je ziet of je een steek hebt overgeslagen, of de herhaling verschuift en hoe de stof aanvoelt. Wil je de steken meteen toepassen in een eenvoudig project, dan kun je een sjaal als eerste breiwerk proberen.

Waaraan zie je dat je steek klopt?

Leg het werk plat en bekijk beide kanten. Bij ribbelsteek zijn de richels aan beide kanten zichtbaar; bij tricotsteek is één kant gladder dan de andere. Bij boordsteek moeten de rechte en averechte kolommen op hun plaats blijven. Tel bij twijfel de steken in een patroonherhaling en kijk of je draad aan de juiste kant van het werk ligt wanneer je van recht naar averecht wisselt.

Een klein verschil in handspanning kan de steken groter of kleiner maken. Dat hoeft geen probleem te zijn tijdens het oefenen, maar een proeflapje helpt je beoordelen of het oppervlak en de soepelheid passen bij wat je wilt maken. Controleer ook of je volgens het patroon plat of in het rond breit; dezelfde instructie levert niet in beide gevallen automatisch hetzelfde resultaat op.

Veelgestelde vragen

Wat is het verschil tussen ribbelsteek en boordsteek?

Bij ribbelsteek brei je plat alle naalden recht; dat geeft horizontale ribbels. Bij boordsteek wissel je rechte en averechte steken af binnen een naald en houd je die kolommen in de volgende naalden op hun plek. Daardoor ontstaan verticale ribben die kunnen uitrekken.

Waarom krult mijn tricotsteek aan de randen?

Tricotsteek heeft van nature de neiging om aan de zijkanten en soms aan de boven- en onderrand om te rollen. Dat hoort bij het patroon en betekent niet automatisch dat je verkeerd hebt gebreid. Een rand in ribbelsteek of een andere afwerking kan helpen; kies die volgens je patroon en test haar op een proeflapje.

Hoe brei je tricotsteek in het rond?

Bij tricotsteek in het rond brei je doorgaans elke toer recht, omdat je steeds aan de goede kant van het werk breit. Plat brei je afwisselend een naald recht en een naald averecht. Controleer wel de instructies van je patroon, vooral als het een bijzondere variant gebruikt.

In de rubriek Breien