Naar de inhoud

Laatst gepubliceerd op · 30 artikelen · 3 rubrieken

Atelier la Vivière

Met een magische ring haken leer je een rond begin netjes sluiten

In een patroon staat ‘begin met een magische ring’, maar hoe houd je de lus vast terwijl je de eerste steken haakt? Met een eenvoudige oefening leer je de ring maken, zes vasten in de eerste toer verdelen en het midden dichttrekken.

Door Marloes Visser · · 5 min leestijd

Roze gehaakte cirkel met haaknaald en bolletje garen op houten oppervlak

Een magische ring is een verstelbare lus waarin je de eerste steken van een rond gehaakt werkstuk maakt. Daarna trek je aan het gareneinde om de opening in het midden kleiner te maken. Dat is handig wanneer je vanuit het midden naar buiten haakt, bijvoorbeeld voor een amigurumi of een rond motief. De techniek vraagt vooral dat je de twee gareneinden uit elkaar houdt: de draad waarmee je haakt en het losse uiteinde waarmee je straks de ring sluit.

Wanneer is een magische ring handig?

Je gebruikt de magische ring als je een werkstuk vanuit het midden in het rond opbouwt. Omdat de lus verstelbaar is, kun je de opening na het haken van de eerste toer kleiner trekken. Dat verschilt van beginnen met een vast kettingrondje: daarbij blijft de beginopening in principe even groot. De techniek komt bijvoorbeeld voor bij amigurumi, gehaakte figuurtjes, en ronde motieven. De uitleg van Crochet.com over de magic circle laat deze starttechniek afzonderlijk zien.

Een magische ring is niet voor ieder project noodzakelijk. Een patroon kan ook beginnen met lossen die je tot een ring sluit, of met een andere startmethode. Kijk daarom eerst welke steken en werkwijze het patroon voorschrijft. Wil je eerst oefenen met de basis van haken, dan vind je uitleg over materiaal en eerste steken bij beginnen met haken.

Wat heb je nodig en waar let je op?

Je hebt garen en een haaknaald nodig die bij dat garen en je project passen. Een schaar is handig om later af te knippen; een steekmarkeerder helpt wanneer je in een spiraal haakt. Voor de oefening is vooral belangrijk dat je duidelijk ziet welk deel van het garen de werkdraad is en welk deel het losse uiteinde vormt.

De werkdraad loopt naar de bol en wordt gebruikt om de steken te maken. Het losse uiteinde blijft vrij en wordt gebruikt om de ring aan te trekken. Houd dat uiteinde lang genoeg om het straks goed vast te kunnen pakken. Er is geen universele lengte die voor elk garen en iedere handgreep geldt. Als je het uiteinde te kort afknipt, wordt het lastiger om de ring te sluiten en af te werken.

Bij pluizig, heel glad of donker garen kunnen de afzonderlijke draden en lussen moeilijker te onderscheiden zijn. Oefen dan eerst met een garen waarop je de steken goed kunt zien. Een lichte kleur helpt vaak bij het tellen, maar is geen vereiste. De Crochet Guild of America biedt naast lessen voor beginners ook uitleg over basissteken en technieken; de vereniging noemt daarbij onder meer de steeknaam, afkorting en beschrijving op haar pagina Learn to Crochet.

Welke start kies je: verstelbare ring of kettingrondje?

De magische ring is een bruikbare optie wanneer je het midden na de eerste toer wilt kunnen aantrekken. Een kettingrondje kan eenvoudiger voelen als je net begint: je maakt een klein aantal lossen, sluit die tot een ring en haakt de steken in de opening. Die opening is niet verstelbaar zoals bij een magische ring. Welke methode past, hangt af van het patroon en van de afwerking die je nodig hebt.

Ook de steken in de ring zijn patroonafhankelijk. In het oefenvoorbeeld hieronder gebruik je zes vasten in de eerste toer en twaalf vasten in de tweede. Dat is een telvoorbeeld om de techniek te leren, geen algemene regel voor ieder rond project. Een patroon kan met een ander aantal steken beginnen of een andere steek gebruiken. Controleer daarom altijd de patrooninstructies voordat je verdergaat.

Hoe maak je de magische ring stap voor stap?

  1. Laat een los gareneinde vrij en leg de werkdraad over je vingers zodat de draad kruist en een open lus vormt. Houd het kruispunt met duim en wijsvinger vast. Er zijn meerdere manieren om de draad om je vingers te leggen; kies een houding waarbij de lus niet van je hand glijdt.
  2. Steek de haaknaald door de lus, haal de werkdraad op en trek die door de lus. Je hebt nu een lus op de haaknaald. Trek het losse uiteinde niet aan: de ring moet nog open genoeg blijven om de steken erin te maken.
  3. Maak de beginlosse die bij jouw gekozen steek of patroon hoort. Die losse telt niet automatisch als een steek; kijk in het patroon of die als beginlosse wordt meegerekend.
  4. Steek de haaknaald door het midden van de ring. Haak de eerste vaste om de ring en het losse uiteinde heen. Zo liggen beide draden onder de steek. Herhaal dit tot je in dit oefenvoorbeeld zes vasten hebt.
  5. Houd de steken met je vingers bijeen. Pak het losse uiteinde en trek er rustig aan. De ring wordt kleiner en de steken schuiven naar elkaar toe. Als het garen stroef loopt, verschuif de steken voorzichtig over de ring in plaats van hard aan het uiteinde te rukken.
  6. Voor de tweede toer haak je in dit voorbeeld twee vasten in elke steek van de eerste toer. Je begint dus met zes steken en maakt er twaalf: één extra vaste in elk van de zes steken. Gebruik een steekmarkeerder als je de toergrens in een doorlopende spiraal uit het oog kunt verliezen.

De algemene volgorde van een ring maken, steken in de lus haken en vervolgens het losse uiteinde aantrekken komt ook voor in de stap-voor-stapuitleg van LoveCrafts over de magic circle. De voorbeelden op die pagina gebruiken een specifieke steek en toeropbouw; neem de aantallen dus niet over als jouw patroon iets anders voorschrijft.

Hoe controleer je de eerste twee toeren?

Tel na de eerste toer de steken voordat je aan de volgende begint. In dit oefenvoorbeeld moeten er zes vasten rond de ring staan. Tel de steken bovenaan, waar je bij de volgende toer de haaknaald insteekt. De losse op de haaknaald is geen extra vaste. Als de ring nog openstaat, trek je aan het losse uiteinde voordat je verdergaat.

Na de tweede toer tel je twaalf steken. Vergelijk je werk ook met de vorm van het patroon: de steken horen rondom verdeeld te zijn, niet allemaal aan één kant. Ziet de cirkel scheef of bobbelig, controleer dan of je in iedere steek van de eerste toer precies twee vasten hebt gemaakt. Een ontbrekende steek of een extra steek verandert de vorm, ook als het midden netjes dicht is.

Bij een project dat in een spiraal wordt gehaakt, loopt de toer door zonder verbindende halve vaste. Markeer dan de eerste steek van elke nieuwe toer en verplaats de markeerder wanneer je die steek bereikt. Bij gesloten toeren verbind je de toer volgens het patroon. Deze werkwijzen zijn niet uitwisselbaar: de aansluiting kan zichtbaar worden en de telling kan anders uitkomen.

Trek de ring stevig dicht, maar houd het gareneinde beschikbaar om het later af te werken. Knip het niet vlak naast de stof af voordat je weet hoe het patroon het uiteinde vastzet. De start van een ronde deken gebruikt andere aantallen en kan een andere vorm vragen dan dit oefenrondje; bij een eerste deken haken is het daarom belangrijk de toerinstructies van dat project te volgen. Met een paar proefrondjes zie je hoe jouw garen zich gedraagt en kun je de steken tellen zonder dat je tegelijk een heel project hoeft uit te halen.

Veelgestelde vragen

Waarom trekt mijn magische ring niet dicht?

Controleer eerst of je de steken om de ring én het losse gareneinde hebt gehaakt; anders kan het uiteinde de steken niet mee aantrekken. Kijk ook of de lus niet per ongeluk gedraaid of vastgeknoopt is. Trek rustig aan het losse uiteinde terwijl je de eerste steken met je vingers op hun plek houdt. Blijft de ring vastzitten, haal de oefentoer uit en maak een nieuwe, ruimere lus.

Moet ik na de eerste toer een keerlosse maken?

Dat hangt af van de werkwijze in je patroon. Haak je in een doorlopende spiraal, dan sluit je de toer meestal niet met een halve vaste en maak je geen keerlosse; een steekmarkeerder helpt om het begin te herkennen. Bij gesloten toeren verbind je het einde met het begin zoals het patroon aangeeft. Volg dus de instructies voor jouw project en wissel de twee werkwijzen niet halverwege.

Kan ik een magische ring met elk garen maken?

De techniek werkt met veel soorten haakgaren, maar de structuur en gladheid beïnvloeden hoe makkelijk je de ring kunt aantrekken. Een glad, middelmatig dik garen maakt de lussen vaak beter zichtbaar tijdens het oefenen dan pluizig of donker garen. Dat is een praktische keuze, geen vaste regel: kies uiteindelijk het garen en de haaknaald die bij je patroon passen. Probeer een klein proefstuk voordat je aan je project begint.

In de rubriek Haken