Naar de inhoud

Laatst gepubliceerd op · 29 artikelen · 3 rubrieken

Atelier la Vivière

Luiewijvensteek breien geeft je werk lange, open steken

Wil je een luchtig breiwerk maken zonder een ingewikkeld patroon te volgen? Met de luiewijvensteek werk je rechte steken en omslagen in een herhaling van twee naalden.

Door Marloes Visser · · 5 min leestijd

Roze, luchtig gebreide sjaal in luiewijvensteek naast bol garen op vensterbank

De luiewijvensteek valt op door de lange lussen en open banen die ontstaan wanneer je extra omslagen laat vallen. De naam wordt ook gebruikt voor de riviersteek, maar beschrijvingen verschillen: soms werk je met één extra omslag, soms met meer. Hieronder staat één controleerbare basisvariant voor een plat proeflapje, inclusief het stekenaantal en manieren om te zien of de herhaling klopt.

Wat maakt de luiewijvensteek anders dan een gewone rechte steek?

Bij deze steek voeg je tijdens het breien extra draadlussen toe en laat je die later weer vallen. De achterblijvende lange draden geven het werk zijn open, luchtige uiterlijk. Je breit dus niet zomaar steken van de naald: je laat bewust de extra omslag los, terwijl de oorspronkelijke gebreide steek op de naald blijft.

De naam kan verwarrend zijn, want er bestaan varianten. Wolplein noemt de steek ook riviersteek en beschrijft een naald met telkens één extra omslag, gevolgd door een naald waarin de voorste steek recht wordt gebreid en de tweede lus valt. Dat is de basis die we hieronder gebruiken. Breiclub beschrijft ook een uitvoering met twee omslagen per steek; daar kunnen de lussen dus langer uitvallen. Houd die versies uit elkaar wanneer je een patroon volgt.

Als je nog oefent met rechte steken, averechte steken en het vasthouden van je garen, begin dan met de basis van het breien. De luiewijvensteek vraagt vooral dat je de extra lus goed herkent en niet per ongeluk de hele steek laat vallen.

Welk garen en welke naalden passen bij je proeflapje?

Kies voor je eerste oefening een garen dat je steken goed zichtbaar maakt. Een glad, effen garen helpt om de gewone steken en de lange lussen van elkaar te onderscheiden. Met pluizig of sterk gemêleerd garen kan het lastiger zijn om te zien waar de omslag zit.

Gebruik de naalddikte die op het garenetiket wordt aangeraden als vertrekpunt. Een open steekpatroon kan met een andere naalddikte een ander uiterlijk krijgen, maar verander niet meteen meerdere dingen tegelijk: dan weet je niet waardoor je proeflapje losser of dichter is geworden. Zet voor het voorbeeld hieronder 24 steken op en noteer het garen en de naalddikte die je gebruikt. De 24 steken zijn een oefenaantal, geen vaste eis voor elk project.

Maak desgewenst een paar gewone ribbelnaalden aan het begin en einde van het lapje. Dat geeft een duidelijker rand om vast te houden, maar verandert de steekherhaling in het midden niet. Markeer voor jezelf welke steken bij die rand horen.

Hoe brei je de basisvariant met 24 steken?

Werk plat, heen en weer. In deze uitleg betekent ‘omslag’ dat je de draad één extra keer over de rechternaald legt, los van de draad die je gebruikt om de rechte steek te breien.

  1. Zet 24 steken op. Brei eventueel eerst een paar naalden recht als rand.
  2. Naald 1: brei elke steek recht. Maak bij iedere steek één extra omslag over de rechternaald. Aan het einde van de naald heb je de 24 oorspronkelijke steken bewerkt en staan er extra lussen op de naald.
  3. Naald 2: brei elke oorspronkelijke steek recht. Laat bij die steek de extra omslag van de vorige naald van de naald glijden. Trek niet aan de lange lus; laat hem tussen de steken naar beneden vallen.
  4. Herhaal deze twee naalden: eerst recht breien met een extra omslag per steek, daarna de oorspronkelijke steken recht breien en de extra omslagen laten vallen.

De beschrijving van Wolplein gebruikt eveneens een eerste naald met een extra omslag per steek en een tweede naald waarin de extra lus wordt losgelaten. Houd de draadspanning tijdens het breien gelijkmatig, maar trek de ontstane lange lussen niet strak. Als je meerdere omslagen rond de naald wikkelt, zoals in sommige varianten, maak je een ander formaat lus. Verander het aantal omslagen pas nadat je de basisvariant hebt geprobeerd.

Hoe tel je de steken en de herhaling?

Tel na de tweede naald de steken die daadwerkelijk op je rechternaald staan. In het voorbeeld zijn dat er weer 24: elke oorspronkelijke steek is recht gebreid en de extra omslag is gevallen. De omslagen maakten de naald tijdelijk drukker, maar zijn geen extra steken die je blijvend moet meenemen naar de volgende herhaling.

Leg het werk plat en kijk of je lange lussen tussen de gebreide steken ziet. Een regelmatige herhaling hoort na elke tweede naald terug te keren: de ene naald voegt de extra omslagen toe, de volgende laat ze vallen. Zet desnoods een markeerder of een streepje op papier na iedere twee naalden. Dan hoef je niet te raden of je de naald met de omslagen al hebt gebreid.

Bij het tellen kun je de kantsteken apart houden. Als je bijvoorbeeld aan beide kanten één kantsteek breit, blijven die twee steken onderdeel van het totale aantal op de naald, maar je werkt ze niet noodzakelijk hetzelfde als de steken in het midden. Schrijf je eigen verdeling op voordat je begint, zodat je aan het einde van elke naald weet hoeveel steken je verwacht.

Wat doe je als je proeflapje niet klopt?

Als je na de tweede naald minder dan 24 steken hebt, is waarschijnlijk een oorspronkelijke steek mee gevallen of overgeslagen. Als je er meer dan 24 hebt, kan een omslag per ongeluk als een gewone steek zijn gebreid. Stop bij de eerstvolgende plek waar je de fout ziet en controleer de lussen: de extra omslag hoort los te vallen, niet als zelfstandige steek door te lopen.

Een rafelige of wisselend lange lus kan komen doordat je de draad bij de omslag telkens anders aantrekt. Brei nog enkele herhalingen zonder harder aan de draad te trekken. Let ook op dat je niet per ongeluk twee extra omslagen maakt wanneer je er één bedoelt. De gebruikelijke varianten kunnen bewust meer omslagen gebruiken, maar kies één werkwijze en houd die gedurende het proeflapje aan.

Laat je proeflapje even liggen en bekijk het zowel plat als wanneer je het voorzichtig uit elkaar trekt. Controleer of de lange lussen gelijkmatig verdeeld zijn en of de randen niet sterk samentrekken. Noteer het aantal steken, de naalddikte en hoe de stof aanvoelt. Zo kun je jouw proef vergelijken met het gewenste project, zonder aan te nemen dat iedere combinatie van garen en naalden hetzelfde resultaat geeft.

Wanneer kies je een andere steek of een variant?

Kies de luiewijvensteek als je bewust lange lussen en een open structuur wilt. Voor een gelijkmatiger, dichter oppervlak kan een andere basis- of structuursteek geschikter zijn. Een overzicht van verschillende herkenbare breipatronen helpt je de structuur te vergelijken voordat je een groter werk opzet.

Wil je de lussen nadrukkelijk langer maken, dan kun je een variant met meer omslagen uitproberen op een apart proeflapje. Breiclub beschrijft bijvoorbeeld een uitvoering met twee omslagen en laat die in de volgende naald vallen. Dat is een andere werkwijze dan de basisvariant met één extra omslag; tel en beoordeel die proef daarom afzonderlijk. Begin niet direct aan een kledingstuk: bij open steken kunnen de lussen en afmetingen anders uitvallen dan je verwacht.

Voor een eerste oefening is een klein rechthoekig lapje genoeg. Zodra je de twee-naaldenherhaling betrouwbaar kunt volgen en het stekenaantal na iedere herhaling controleert, kun je beoordelen of de stof geschikt is voor je volgende project.

Veelgestelde vragen

Moet ik voor de luiewijvensteek een even aantal steken opzetten?

Voor de beschreven basisvariant niet: je breit elke steek op dezelfde manier en herhaalt geen verdeling over twee steken. Je kunt bijvoorbeeld 24 steken opzetten om de herhaling te oefenen. Voeg je kantsteken toe of maak je een boordsteekvariant, dan kan het benodigde aantal veranderen. Volg in dat geval de opzetinstructie van die variant en tel de randsteken apart.

Is de luiewijvensteek hetzelfde als de riviersteek?

De namen worden voor vergelijkbare steken gebruikt, maar de uitwerking is niet overal gelijk. Sommige beschrijvingen laten één extra omslag vallen, andere gebruiken meerdere omslagen of voegen gewone naalden toe om het werk steviger te maken. Controleer daarom steeds hoeveel omslagen je maakt en welke je in de volgende naald laat vallen, in plaats van alleen op de steeknaam af te gaan.

Kan ik de luiewijvensteek in het rond breien?

De basisbeschrijving hier is voor heen-en-weer breien op rechte naalden. In het rond brei je niet afwisselend een heen- en teruggaande naald, dus je kunt de twee-naaldenherhaling niet zonder aanpassing overnemen. Zoek voor rondbreien een patroon dat die vorm expliciet beschrijft en controleer eerst een klein proeflapje voordat je aan een groter werk begint.

In de rubriek Breien